Eind september ontving Ballast Nedam een certificering voor Trede 3 van CO2-Prestatieladder 4.0. Om in projecten maximale impact te realiseren, zoekt het bouwbedrijf steeds meer de samenwerking met de keten op. Het hiervoor ontwikkelde BIG 5-programma moet de emissiereductie in scope 3 nog een extra impuls geven, onder meer door het gebruik van biobased materialen, duurzaam beton en circulaire materialen. Dat Ballast Nedam steeds meer projecten in het buitenland doet, zorgt wel voor de nodige uitdagingen als het gaat om duurzaam werken. Al biedt het ook mooie kansen om schoon en emissieloos bouwen over de grens te stimuleren.

De Afsluitdijk, het Vredespaleis in Den Haag, de Oosterscheldekering. Het zijn zomaar even wat iconische bouwwerken die zijn gebouwd door Ballast Nedam. Het Nederlandse bedrijf heeft zowel een bouw- als een infrakolom, vertelt CSR-director Bramske van Beijma. “We zijn bijvoorbeeld betrokken bij renovaties van wegen en bruggen, zoals de Merwedebrug op de A27. We doen grootschalige, maar ook regionale projecten, zoals het asfalteren van provinciale wegen, het aanleggen van rotondes en woningbouw. Hoewel de meeste projecten in Nederland plaatsvinden, zijn we ook internationaal actief, met name in het Caribisch gebied, Afrika en Centraal-Azië. Daar zijn we betrokken bij onder meer de aanleg van vliegvelden, wegen, bruggen, scholen en ziekenhuizen.”

Bramske van Beijma

Ballast Nedam en de CO2-Prestatieladder

Sinds 2012 is Ballast Nedam gecertificeerd op de CO2-Prestatieladder. Volgens Van Beijma gaf de Ladder houvast in tijden dat maatschappelijk verantwoord ondernemen in opkomst was. “Destijds was je als bedrijf klaarmaken voor de toekomst binnen de bouw en infra nog relatief nieuw. Veel bedrijven waren zoekende naar hoe je dat onderdeel kon maken van de bedrijfsvoering. De CO2-Prestatieladder was een van de eerste middelen die hiervoor handvatten bood. Het geeft gestructureerd inzicht in je CO2-voetafdruk, laat zien aan welke knoppen je kunt draaien voor emissiereductie en biedt mogelijkheden om doelen te stellen. Dat heeft Ballast Nedam, maar ook andere bouw- en infrabedrijven enorm geholpen om actief en structureel aan de slag te gaan met CO2-reductie.”

Zonder de Ladder had Ballast Nedam niet kunnen uitgroeien tot waar het nu staat als het gaat om emissieloos werken, zegt Van Beijma. Als voorbeeld noemt ze de vernieuwing van de Rijnkade in Arnhem, een project dat in 2025 werd voltooid. “Dit project hebben we bijna volledig emissievrij uitgevoerd. Omdat we niet alle machines en apparatuur zelf in huis hadden, hebben we bij dit project samengewerkt met Hakkers en Van der Ven. Wat heel erg hielp bij de uitvoering, is dat de gemeente op de kade al walstroom had aangelegd. Hierdoor hadden we geen tekort aan groene stroom en hoefden we niet alleen maar batterijen te gebruiken, maar konden we materieel ook aan de stekkers leggen. Om echt schoon te kunnen werken, is het belangrijk dat je klanten hebt die vooruit durven denken.”

Eerste werkzaamheden project Rijnkade Arnhem

Ook bij het materiaal was zorgvuldig nagedacht over duurzaamheid, vervolgt Van Beijma. “We hebben 5500 kuub zand en een groot deel van de zwarte stenen uit de kadewand hergebruikt. Daarnaast waren de betonnen wandstukken prefab, waardoor er veel minder werk ter plekke hoefde plaats te vinden. Dit scheelde ook enorm in de overlast voor de omgeving. De overlast hadden we sowieso al heel erg beperkt, doordat elektrische bouwmachines een stuk stiller zijn en we een groot deel van de materialen per schip hebben laten aanvoeren. Verder hebben we de damwanden niet geheid, maar gedrukt. Omdat veel dingen nieuw waren, was het best spannend. Daarom ben ik extra trots dat het allemaal is gelukt. Dit project wordt nu gebruikt als voorbeeld in het Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB).”

Verder vooruitkijken, aan de slag met de keten

Na de lancering van CO2-Prestatieladder 4.0 ging Ballast Nedam direct aan de slag met de nieuwe versie. Van Beijma: “Doordat we ons als bedrijf al aan het voorbereiden waren op de Europese Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), hadden we het raamwerk eigenlijk al staan. Ladder 4.0 is namelijk in lijn met de CSRD opgesteld. Het was nog wel even goed uitzoeken wat alle nieuwe elementen en eisen precies inhielden. Een daarvan is het Klimaattransitieplan met doelen voor 2030 en 2050 en alle stappen daarnaartoe. Voor 2030 hadden we dit al redelijk in kaart, maar voor de verdere toekomst een stuk minder. Een van de mooie dingen aan Ladder 4.0 is dat deze versie je dwingt om ook goed na te denken over de langere termijn, zeker voor Trede 3. Als bouwer staan we daar normaal minder bij stil, we zijn vooral bezig met de komende jaren.” 

Een andere meerwaarde van de nieuwe versie vindt Van Beijma de focus op uitstoot in de keten en daarbuiten, oftewel scope 3 en Overige Beïnvloedbare Emissies (OBE’s). “Kijk je naar scope 1 en 2, dan zijn we al hard op weg naar net zero in 2030 voor onze Nederlandse activiteiten. Hierbij richten we ons op vier hoofdgebieden: mobiliteit, bouwplaatsen, productielocaties en kantoorlocaties. Dankzij onder meer het inkopen en zelf opwekken van groene stroom, het elektrificeren van ons wagenpark en de aanschaf van elektrisch bouwmaterieel hebben we onze emissies binnen de eerste twee scopes zeker de laatste vijf jaar aanzienlijk weten terug te brengen. Nu moeten we dus ook veel meer gaan kijken naar onze impact buiten scope 1 en 2. Dat deden we al wel, maar nieuw is dat de Ladder ons nu ook vraagt om hierover te rapporteren. Dat stimuleert ons om nog meer te gaan samenwerken met ketenpartners en kritischer te kijken naar ontwerp en inkoop.”

BIG 5: 25 procent minder uitstoot in 2030

Bijna 95 procent van de uitstoot van Ballast Nedam vindt plaats in scope 3. De inkoop van materialen is verantwoordelijk voor het overgrote deel hiervan. Met het BIG 5-programma wil het bedrijf de uitstoot in 2030 met 25 procent reduceren ten opzichte van 2025. De focus hierbij ligt op houtbouw, duurzaam beton, circulaire materialen, zero-emissie bouwplaatsen en energie-efficiënte installaties. Van Beijma: “Elk bedrijfsonderdeel moet in zijn businessplannen aangeven op welk van de vijf thema’s zich het de komende jaren gaat richten om zoveel mogelijk impact te realiseren. Doordat we alles heel nauwkeurig monitoren, weet elke unit precies waar de uitstoot zit en waar je dus op moet inzetten. Voor vastgoed is bijvoorbeeld houtbouw relevant, terwijl onze betonfabriek zich met name zal richten op duurzaam beton.”

Het programma werkt volgens Van Beijma zoveel mogelijk bottom-up. “We zijn eerst bij alle bedrijfsonderdelen langsgegaan met de vraag aan welke knoppen we kunnen draaien, welke ideeën ze hebben en waar de belemmeringen zitten. Wat kan bijvoorbeeld binnen de bouw wel, maar is in de infra lastiger? Hoe kunnen we inkopers en ontwerpleiders beïnvloeden? En hoe gaan we het gesprek aan met onze opdrachtgevers en onze leveranciers? Dat kan onder meer met het organiseren van bijeenkomsten. Al deze input hebben we verwerkt tot een aanpak over hoe we gaan samenwerken met de keten. Onze Raad van Bestuur was hier erg enthousiast over, waardoor het BIG 5-programma nu verankerd is in onze strategie.”

Binnen het BIG 5-programma is ook veel aandacht voor interne kennisuitwisseling, zegt Van Beijma. “We hebben een intranetsite opgericht met onder andere voorbeeldprojecten, factsheets en contactpersonen. Als iemand van een bedrijfsonderdeel mee wil doen aan een aanbesteding is het handig dat diegene weet bij wie die moet zijn voor bepaalde kennis. Bijvoorbeeld als het gaat om bouwen met biobased materialen zoals hout. Hoe zit het met onderhoud, brandweerbaarheid en verzekeringen? We stimuleren heel erg dat mensen binnen Ballast Nedam daar met elkaar de verbinding over opzoeken.”

Samenwerken met ketenpartners

Een grotere blik op de keten vraagt ook om meer samenwerking met ketenpartners. Van Beijma: “We voeren al jaren gesprekken met onze leveranciers over verduurzaming. Vaak zitten we op één lijn, maar het is niet altijd makkelijk om bijvoorbeeld te elektrificeren. Er zitten soms namelijk ook financiële risico’s aan, een leverancier wilt zoveel mogelijk zekerheid over de afname. Door daarover de dialoog aan te gaan, kom je vaak wel ergens. Zo is ons bedrijfsonderdeel Ballast Nedam Infra Regionaal gaan samenwerken met De Bruyn Transport. Samen hebben we de afspraak gemaakt dat De Bruyn een aantal elektrische vrachtwagens aanschaft die wij dan voor een x-aantal jaren afnemen. Inmiddels is dat zo succesvol dat De Bruyn de vloot verder gaat uitbreiden.”

Ook andere obstakels maken het niet altijd even eenvoudig om maximale emissiereductie te bereiken, vervolgt Van Beijma. “We zijn soms afhankelijk van de beschikbare voorzieningen, zoals laadpunten. Zeker bij grotere projecten moet je daar vooraf heel goed over nadenken. Een goede voorbereiding en planning zijn cruciaal. Bij de Merwedebrug leggen we bijvoorbeeld zelf een elektrisch laadplein aan. Daar komen allerlei vragen bij kijken: hoeveel laadpunten zijn er nodig, welke voertuigen moeten er laden, wanneer komen die voertuigen, wie geef je allemaal toegang? Het vergt andere voorbereiding dan we tot nu toe gewend zijn.”

Steeds meer projecten in het buitenland

Een andere uitdaging is het feit dat Ballast Nedam relatief steeds meer projecten in het buitenland doet. Van Beijma: “De verhouding was vorig jaar ongeveer 75-25, maar het gaat nu richting 50-50. Omdat de Ladder in het buitenland vaak niet wordt uitgevraagd in aanbestedingen, hoeven we op projectniveau niet aan de Ladder-eisen te voldoen. Maar vanwege onze certificering op organisatieniveau, kijken we wel naar hoe we maximale impact kunnen realiseren. Dat is niet altijd makkelijk, bijvoorbeeld doordat het ontbreekt aan groene stroomvoorzieningen of goede afvalverwerking. Daar moeten we dan per project en per gebied afspraken over maken. Soms kiezen we er bijvoorbeeld voor om afval zelf af te voeren naar een plek waar het duurzaam verwerkt kan worden.”

Ook de verschillende standaarden maakt werken aan CO2-reductie lastiger. Als voorbeeld noemt Van Beijma de emissiefactoren van vliegverkeer. “Volgens het Britse ministerie van milieu (DEFRA) stoot je bij lange afstandsvluchten relatief meer uit, omdat die vliegtuigen zwaarder beladen zijn. Maar volgens de Nederlandse factor hebben korte vluchten juist meer impact, omdat je de voornaamste uitstoot – bij het stijgen en landen – moet uitsmeren over minder kilometers. Voor internationale projecten moeten we dus goed nadenken over welke factor we gebruiken en hoe we alles harmoniseren. Naast emissiefactoren voor vliegreizen kunnen ook productspecifieke data per land erg verschillen. Soms zijn die zelfs helemaal niet voorhanden.”

Tegelijkertijd ziet Van Beijma in het toenemend aantal buitenlandprojecten een uitgelezen mogelijkheid voor Ballast Nedam om over de grens impact te maken. Die rol pakt Van Beijma ook zelf op binnen Rönesans Holding, het Turkse moederbedrijf van Ballast Nedam. “Een paar jaar geleden ben ik gevraagd om als CSR-directeur in de board van Rönesans te komen, om de expertise en ervaringen van Ballast Nedam op het gebied van duurzaamheid te delen. Sindsdien heeft Rönesans enorme stappen gezet door te focussen op maatregelen voor CO2-reductie en deze actief te bespreken en te monitoren. Bijvoorbeeld met het bouwen van eigen windparken en het koppelen van de groene stroom aan de eigen assets. De ambitie is om binnen vijf jaar een hernieuwbare energieportefeuille van 2 GigaWatt te ontwikkelen en zo actief bij te dragen aan de energietransitie. De dingen die we in Nederland in het klein doen, kunnen zij in het groot uitvoeren. En dat is zeker niet vanzelfsprekend, aangezien op de internationale markt duurzaamheid vaak geen onderdeel is van aanbestedingen. Het komt dus echt voort uit intrinsieke motivatie.”