Met behulp van onder meer de CO2-Prestatieladder werkt DEME aan vermindering van energieverbruik en CO2-emissies. Inmiddels is het als eerste grote waterbouwkundig bedrijf gecertificeerd op trede 3 van CO2-Prestatieladder 4.0. Met schonere schepen, een efficiëntere operatie en groenere energiedragers is het bedrijf op weg naar nul-uitstoot in 2050. Al is het voor de snelheid en haalbaarheid van dit doel wel afhankelijk van andere partijen, zoals leveranciers en opdrachtgevers. “De nieuwe versie van de Ladder stimuleert nog meer om het gesprek aan te gaan over verduurzaming.”
Het uitvoeren van baggerwerkzaamheden, het aanleggen van havens, sluizen en kademuren, het bouwen en installeren van offshore windturbines. Het overgrote deel van de activiteiten van DEME vindt plaats op of bij het water. Het is dan ook niet gek dat de voornaamste milieu-impact van het Belgische bedrijf komt van schepen. Volgens Nick Deboever, QHSE Team Coordinator bij DEME, verbruiken die zo’n 85 tot 90 procent van alle energie. “Dat zit vooral in het uitvoeren van activiteiten, met baggeren als grootste energieverbruiker. Het opzuigen van zand kost ontzettend veel energie. Van oudsher gebeurt dat met zware diesel, daar zitten de grootste emissies. Het varen van A naar B kost ook brandstof, maar dat aandeel is relatief klein als je het vergelijkt met de uitvoer van werkzaamheden.”
Werken aan energie- en emissiereductie
Om de negatieve milieu-impact te minimaliseren zoekt DEME voortdurend naar manieren om te verduurzamen. De strategie hiervoor bestaat uit drie aspecten, zegt Jeroen Gijzen, QHSE-manager bij DEME Environmental Nederland. “Een daarvan is het operationele deel. Door werkzaamheden beter te plannen en efficiënter uit te voeren, kunnen we veel energie besparen. Ook de aanschaf van nieuwe installatieschepen met een hogere brandstofefficiëntie valt hieronder. En ander aspect is technische innovatie, zoals batterijsystemen of hybride systemen aan boord van schepen. Het derde aspect is het gebruik van klimaatneutrale energiedragers. Dit is ook meteen de meest uitdagende shift die we moeten maken. Brandstoffen en brandstofmotoren voor schepen worden steeds schoner en efficiënter, maar uiteindelijk willen we toe naar een energiedrager zonder bijkomende emissies. Zover zijn we alleen nog niet.”
Gebruik van de CO2-Prestatieladder
Verduurzaming van de vloot heeft DEME sinds het basisjaar 2008 zo’n 30 procent emissiereductie per werkeenheid opgeleverd. In 2030 moet dat volgens de doelstellingen 40 procent zijn. Als hulpmiddel maakt het bedrijf onder meer gebruik van de CO2-Prestatieladder, vertelt Deboever. “We zijn hier rond 2010 mee gestart omdat het vanuit een van onze opdrachtgevers, ProRail, werd gevraagd in aanbestedingen. Zeker de eerste jaren hebben we mede dankzij het Ladder-certificaat diverse projecten gegund gekregen. Maar omdat steeds meer bedrijven in de bouw en infra een certificering kregen, en dan vaak ook op niveau 5, werd het steeds lastiger om onderscheidend te blijven. Maar de Ladder heeft nog meer voordelen. Het is een goed managementsysteem dat in lijn is met het GHG-protocol en aansluit bij de ISO-managementsystemen waarmee we werken op groepsniveau, zoals 14001 (milieu) en 50001 (energie). Het vormt bovendien een goede basis om te voldoen aan de CSRD.”
Meer dan alleen emissies scheepvaart
Om te voorkomen dat de focus bij energiebesparing en emissiereductie alleen maar ligt op scheepvaart, heeft DEME nog vier andere significante energiegebruikers aangewezen: materieel voor grondverzet, gebouwen, transport van personeel en inkoop. Door deze aspecten mee te nemen in de voetafdruk dekt DEME de emissies van alle scopes, zegt Deboever. “De Ladder vraagt inzicht in de volledige organisatie en keten. Zo zijn we bij de vijf significante energieverbruikers uitgekomen. We werken onder meer aan het elektrificeren van kranen en machines en het vergroenen van ons wagenpark. Met dit laatste hebben we de uitstoot de afgelopen 10 jaar verlaagd van 112 naar 36 gram CO2 per gereden kilometer. Verder zijn we bezig met de bouw van een klimaatneutraal hoofdkantoor in Antwerpen. Dit pand wordt voorzien van de nieuwste energie- en klimaattechnologie.”
Obstakels en beperkingen bij verduurzaming
Ondanks deze stappen loopt de organisatie soms ook tegen beperkingen en obstakels aan als het gaat om verduurzaming, erkent Deboever. “We hebben niet al onze panden in eigendom. We zijn dus deels afhankelijk van verhuurders en die hebben duurzaamheid niet altijd als grootste prioriteit. Ook voor inkoop moeten we soms afwegingen maken. Het staal en beton dat we gebruiken is vanuit financiële overweging of regionale beschikbaarheid niet altijd de meest milieuvriendelijke variant.” Ook bij brandstoffen is beschikbaarheid een uitdaging, vult Gijzen aan. “DEME heeft de voorbije jaren geïnvesteerd in een aantal LNG-schepen. De beschikbaarheid van LNG is echter beperkt: wereldwijd kan dit slechts op een beperkt aantal plaatsen worden gebunkerd. Daardoor moeten we soms toch weer terugvallen op klassieke brandstoffen. Bij de nieuwste schepen zetten we daarom maximaal in op flexibiliteit, zodat ze op termijn ook kunnen werken met net-zero-emissiebrandstoffen, zoals groene methanol.”
Afhankelijk van lokale energie-infrastructuur
Dat de activiteiten nooit op een vaste locatie plaatsvinden, maakt het niet makkelijker, zegt Deboever. “We zijn geen koekjesfabriek die tientallen jaren op dezelfde plek zit. Elk project dat we doen vindt ergens anders plaats, met een looptijd van enkele maanden tot meerdere jaren. We kunnen dus wel het gesprek aangaan met regionale betrokkenen om te investeren in een duurzame energie-infrastructuur, maar voordat die er ligt, ben je jaren verder en zijn wij alweer weg.” Dichter bij huis is het vaak iets eenvoudiger, zegt Gijzen. “We gaan de komende jaren op Schiphol aan de slag met het saneren van verontreinigde grond. Dat gaan we compleet elektrisch doen. Dankzij de stroomvoorziening die er al is op Schiphol kan dat. Naast de luchthaven ligt een gigantisch zonnepark, dus de stroom is ook nog eens volledig groen.”
Certificaat enkel voor entiteiten Benelux
Verspreid over de hele wereld bestaat DEME uit 178 entiteiten. Daarvan vallen er 21 onder het Ladder-certificaat. Deboever: “Hierbij gaat het om entiteiten in de Benelux. Het certificaat staat op naam van DEME NV, de operationele entiteit van DEME. Ons op groepsniveau wereldwijd laten certificeren was niet haalbaar, omdat we dan voor al onze projecten meer inzicht moeten krijgen in emissiereductie en maatregelen moeten nemen. Daarnaast is het verkrijgen van data over emissies een enorme uitdaging. Deze zijn op veel plekken niet of beperkt beschikbaar of worden niet altijd gedeeld. Dat betekent overigens niet dat we in die projecten niet duurzaam werken. Voor alles wat qua materieel en materiaal binnen ons eigen beheer en eigendom valt, proberen we maximale reductiemaatregelen te nemen.”
Koploper blijven en onderscheiden in aanbestedingen
In de zomer van 2026 ontving DEME als eerste grote waterbouwbedrijf [HJ1] een certificaat voor trede 3 van CO2-Prestatieladder 4.0. Vanuit de directie werd bij de lancering van de nieuwe versie meteen duidelijk gemaakt dat het bedrijf voor de hoogste trede moest gaan, zegt Gijzen. “Vanuit onze klimaatambities willen we binnen onze branche vooraan blijven lopen als het gaat om emissiereductie. En dan moet je voor trede 3 gaan. De andere reden is meer commercieel. Nog lang niet al onze sectorgenoten hebben een 4.0-certificaat, laat staan voor trede 3. Met zo’n certificaat kunnen we ons dus onderscheiden in aanbestedingen. Wat erg hielp ter ondersteuning is dat we een sustainability board hebben. Duurzaamheid is dus op directieniveau vertegenwoordigd in ons bedrijf.”
Sleutelpersonen zorgen voor meer bewustzijn
Een van de vereisten van de nieuwe versie van de Ladder is het aanwijzen van sleutelpersonen. Volgens Gijzen was dit relatief eenvoudig. “Elke activity line had al een sustainability ambassador die de schakel vormt tussen het sustainability board en de businessunits. Mede dankzij deze ambassadors is duurzaam werken al stevig verankerd binnen de organisatie. Waar we alleen weleens tegenaan liepen, was dat medewerkers wel goed geïnformeerd, maar niet altijd even betrokken waren. Door de eisen die de Ladder stelt aan sleutelpersonen – namelijk dat ze medewerkers actief moeten meenemen – is dat nu wel meer het geval. Er is al een paar keer een kraanmachinist naar me toe gekomen met de vraag of we een elektrische kraan kunnen aanschaffen of bepaalde kraanwerkzaamheden anders kunnen uitvoeren. Ze denken nu dus zelf meer actief na over duurzaamheid, dat vind ik ontzettend mooi.”
Onzekerheden technologische innovatie richting 2050
Op weg naar nul-uitstoot in 2050 heeft DEME – zoals vereist voor trede 3 van versie 4.0 – een Klimaattransitieplan opgesteld. Hierin geeft het bedrijf aan hoe het samen met de keten werkt aan het zo schoon mogelijk uitvoeren van alle activiteiten. Het grootste aandachtspunt hierbij is technologische innovatie, zegt Gijzen. “Er wordt voortdurend gewerkt aan verbeterde of nieuwe energietechnologie. Maar er is nog geen silver bullet en niemand weet waar het precies naartoe gaat. We proberen ons steentje bij te dragen door te investeren in groene waterstof en in gesprek te gaan met motorfabrikanten, maar voor het overgrote deel zijn we afhankelijk van anderen. Telkens als we een schip vervangen of de vloot uitbreiden, gaan we voor de laatste stand van zaken als het gaat om technologie. Zo’n schip gaat vervolgens 20 tot 30 jaar mee. Als er over 5 jaar iets nieuws op de markt komt, kunnen we niet zomaar alle schepen vervangen.”
Aandacht voor emissies buiten de 3 scopes
Ook andere aspecten spelen een rol in de haalbaarheid, vervolgt Gijzen. Bijvoorbeeld netcongestie in Nederland en België. “Dat speelde ons onlangs nog parten bij een project voor het verstevigen van Lekdijken. De ambitie was om dit volledig emissieloos uit te voeren, maar door netcongestie zou dit veel te duur worden. Per extra kilometer zou het een miljoen meer gaan kosten. Die ambitie hebben we dus iets moeten bijstellen. Tegelijkertijd hebben we wel op een andere manier impact gemaakt. Namelijk door in het ontwerp te kijken naar hoe we materialen kunnen hergebruiken. Dat hebben we gedaan door afgegraven grond van de ene plek een aantal kilometer verderop weer in te zetten. Het mooie van de nieuwe versie van de Ladder is dat we deze emissiebesparing als Overige Beïnvloedbare Emissies (OBE’s) kunnen rapporteren.”
Ladder nodigt uit tot dialoog met opdrachtgevers
Een van de toegevoegde waarden van de Ladder ten opzichte van andere managementsystemen is dat het instrument uitnodigt en aanmoedigt om het gesprek met ketenpartners en opdrachtgevers aan te gaan. Gijzen: “We hebben vaak te maken met een spanningsveld tussen kosten en milieu. Soms botsen die twee. We wilden bijvoorbeeld in een project voor een kadewand stenen hergebruiken, maar dat was duurder dan hele nieuwe stenen. Alleen moesten die uit Noorwegen komen, wat gepaard gaat met veel transportemissies. Daarover zijn we in gesprek gegaan en uiteindelijk hebben we gekozen voor 80 procent hergebruikte stenen en 20 procent nieuw.”
Dezelfde basis hebben en taal spreken
Wat Deboever vooral nuttig vindt aan de nieuwe versie is dat ie nog beter aansluit op de ISO-systematiek en wettelijke rapportageverplichtingen, zoals de CSRD. “We kunnen de Ladder nu beter integreren met andere standaarden en eisen die internationaal gelden. Uiteindelijk wil je zoveel mogelijk dezelfde basis hebben en dezelfde taal spreken als het gaat om energie en emissies en omrekenfactoren. We willen appels met appels kunnen vergelijken. Dat is niet alleen prettig voor onszelf, maar het zorgt ook voor meer duidelijkheid voor de buitenwereld, zoals aandeelhouders en het brede publiek.”