Als eerste van de grote Nederlandse gemeenten is Den Haag gecertificeerd op versie 4.0 van de CO2-Prestatieladder, op trede 1. Het behalen van het certificaat ging niet zonder slag of stoot. Zo was het nog even de vraag over CO2-voetafdruk wel klopte. Ook het benoemen van sleutelpersonen had wat voeten in aarde. “Maar juist de dingen die niet helemaal soepel gingen hebben ons op scherp gezet en leverden interessante gesprekken op.” Inmiddels zet de gemeente al stappen richting trede 2.
Inzicht in je eigen processen en uitstoot vormt de basis om iets te doen aan een schonere wereld. Volgens Erik Versteegh, Adviseur Verduurzaming Gemeentelijke Organisatie bij de gemeente, is de CO2-Prestatieladder een mooi middel om dat inzicht te krijgen. “Vanuit de data over ons energiegebruik en bijbehorende CO2-uitstoot kunnen we doelen stellen en acties ondernemen om onze voetafdruk omlaag te krijgen. Je kunt hier ook andere tools voor gebruiken, maar het feit dat de Ladder werkt op basis van het GHG-protocol, een jaarlijkse onafhankelijke audit bevat en inmiddels breed is omarmd in Nederland maakt het een betrouwbaar en waardevol instrument. Daarnaast vinden we het belangrijk om het goede voorbeeld te geven. We zetten de Ladder immers ook in als gunningscriterium in aanbestedingen. Dan is het niet meer dan logisch dat je ook zelf actief werkt aan CO2-reductie en de kennis in huis hebt van wat je van anderen vraagt.”
Vermindering gasverbruik
Doel van de gemeente is om in 2027 30 procent CO2-reductie te realiseren ten opzichte van 2023. De CO2-uitstoot zit voor ongeveer de helft in het verbranden van gas voor het verwarmen van gemeentelijk vastgoed. Daarin heeft de gemeente de laatste jaren een aantal mooie stappen gezet, zegt Versteegh. “Sinds vorig jaar wordt een van de gemeentelijke zwembaden – De Blinkerd – verwarmd met riothermie, restwarmte uit het riool. Dit levert een besparing op van 170.000 kuub gas per jaar. Tegelijkertijd is er nog wel veel winst te behalen. Een deel van onze gebouwen, zoals het stadhuis, is aangesloten op het warmtenet. Twee derde van deze centrales worden verwarmd met gaskachelcentrales. Hier hebben we niet direct invloed op, maar we kijken wel hoe we het warmte- en gasverbruik kunnen verminderen. Bijvoorbeeld door gebouwen beter te isoleren of te zoeken naar alternatieve bronnen voor verwarming.”
Minder en schone stroom
Naast maatregelen voor vermindering van gasverbruik, richt de gemeente zich op het reduceren van stroomgebruik en het vergroenen hiervan. Versteegh: “We zijn druk bezig met het aanbrengen van led in openbare verlichting en onze gebouwen. Dit is een stuk energiezuiniger dan de oude verlichting. Daarnaast maken we voor ons wagenpark de overstap van diesel- en benzineauto’s naar elektrische auto’s. De stroom die we gebruiken in de laadpalen op onze terreinen is volledig groen.” De verduurzamingsmaatregelen hebben tussen 2023 en 2024 een CO2-besparing van 6370 ton opgeleverd, een reductie van 12,5 procent. Dat is zelfs hoger dan de ambities van 10 procent reductie per jaar. [HJ1] Het leverde de gemeente de afgelopen jaren een certificaat op voor niveau 3 van CO2-Prestatieladder 3.1.
Aan de slag met Ladder 4.0
Toen begin 2025 de nieuwe versie van de Ladder – versie 4.0 – werd gelanceerd, besloot de gemeente Den Haag hier direct mee aan de slag te gaan, zegt Versteegh. “We waren enthousiast over de vernieuwing. De nieuwe versie richt zich nog meer dan de vorige op plekken waar je impact kunt maken. Hoe beter je hotspots van energieverbruik en CO2-uitstoot in beeld hebt, hoe gerichter je actie kunt ondernemen. Omdat er wat nieuwe elementen in het nieuwe handboek staan, zoals sleutelpersonen en niet-CO2-broeikasgassen, hebben we onze externe duurzaamheidsadviseurs gevraagd of ze eerst een interne audit bij ons wilde doen. Als een soort voorproefje van de echte audit. Hierdoor weten we wat we kunnen verwachten en kunnen we nog op tijd eventuele fouten herstellen, zoals niet-werkende links op de website.”
Afstemming interne en externe audit
Omdat de adviseurs even nodig hadden om alles goed uit te zoeken, vond de interne audit vlak voor de Ladder-audit plaats, zegt Versteegh. “Dat was niet ideaal, omdat we nauwelijks tijd hadden om tekortkomingen recht te breien. Bij de uiteindelijke Ladder-audit bleek ook dat een aantal dingen onvoldoende waren gebeurd bij de interne audit. Een daarvan was dat onze sleutelpersonen niet bevraagd waren. Hierdoor wisten ze eigenlijk helemaal niet goed waarop ze bevraagd en beoordeeld zouden worden bij de Ladder-audit. Gelukkig hadden we alle sleutelpersonen wel benoemd en ingelicht over wat hun rol precies inhoudt. Maar het was handiger geweest als ze een keer waren geïnterviewd. Dat is wel een goede les die we hebben geleerd: zorg dat de interne audit goed aansluit bij de echte audit.”
Laadpalen wel of niet groen
Een ander heikel punt bij de audit was een mogelijke afwijking in de CO2-voetafdruk. Dit had volgens Versteegh te maken met de vraag of de stroom van laadpalen die niet in beheer zijn van de gemeente groen of grijs is. “Onze eigen laadpalen hebben allemaal groene stroom, maar publieke palen hebben over het algemeen vaak grijze stroom. Aanvankelijk dachten we dat ons wagenpark voor het overgrote deel op onze eigen palen wordt opgeladen, maar dit bleek iets anders. Ik moest alleen nog uitzoeken welk aandeel op publieke palen werd geladen en wat voor stroom die palen gebruikten. Vanwege AVG wilden laadpaalhouders alleen geen data vrijgeven over wanneer welke auto ergens had geladen. Gelukkig kwam ik erachter dat we een paar jaar geleden een aanbesteding hebben gedaan voor het installeren van laadpalen op groene stroom. Uit het ophalen van certificaten bleek dat alle publieke laadpalen in onze gemeente groen zijn.”
Certificering trede 1 Ladder 4.0
De bevinding was voor Versteegh een grote opluchting. Want hierdoor stond niets meer in de weg voor een certificaat op trede 1 van CO2-Prestatieladder 4.0. “Vooraf dachten we dat de overstap van niveau 3 naar trede 1 op de nieuwe elementen na niet heel veel werk zou kosten, maar uiteindelijk waren we er toch nog wel even zoet mee. Misschien hadden we er te makkelijk over gedacht. Het is ook alleen maar goed dat we op scherp zijn gezet. Het heeft soms ook te maken met de auditor. De ene legt net wat andere accenten dan de ander. Uiteindelijk krijg je gelukkig tijd om vragen te beantwoorden, dingen uit te zoeken en extra documentatie te verzamelen. Maar het moet natuurlijk wel allemaal in orde zijn. Gelukkig was dat het geval. We zijn erg trots op onze certificering op versie 4.0. En natuurlijk onze bijdrage om milieuschade te verkleinen.”
Discussie rol sleutelpersonen
Het aan de slag gaan met nieuwe elementen van Ladder 4.0 leverde volgens Versteegh ook intern interessante discussies op. Bijvoorbeeld als het gaat om de rol van sleutelpersonen. “Dit zijn onder andere onze energiecoördinatoren. Ik vond dat zij als sleutelpersoon een actievere rol moesten aannemen in hun bijdrage aan CO2-reductie. Maar dit kwam niet helemaal meer overeen met de functie die ze vervulden. Hierover zijn we in gesprek gegaan, dat was erg nuttig. Zo kwamen we erachter dat het niet voor iedereen helemaal duidelijk was welk mandaat ze hadden om iets te zeggen over energiebesparing en dat de term sleutelpersoon soms misschien wat zwaar aanvoelt. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat de sleutelpersonen zich meer betrokken en verantwoordelijk voelden voor CO2-reductie binnen de organisatie.”
Aan de slag met trede 2
Met een Ladder-certificering voor trede 1 op zak wil de gemeente Den Haag meteen doorpakken richting trede 2. Dat vraagt alleen wel de nodige extra inspanning, zegt Versteegh. “We moeten data van de hele keten op tafel krijgen. Het gaat bijvoorbeeld om partners in het fysieke domein, zoals opdrachtgevers voor bouwprojecten, maar ook om inkoop van goederen en diensten, zoals ICT. Hoeveel laptops hebben we, waar komen die vandaan, uit welke componenten bestaan ze, hoeveel CO2 hebben die uitgestoten? Dat moeten we allemaal achterhalen. Dat is een leuke, maar complexe klus. Ten eerste omdat lang niet alle bedrijven data hebben of willen vrijgeven over de CO2-voetafdruk van producten. Daar moeten we dus echt actief achteraan. Daarnaast zijn ook de mensen binnen onze eigen organisatie niet dagelijks bezig met het ophalen van data over uitstoot. Het heeft dus wel enige tijd nodig om dit allemaal goed te organiseren.”
Mogelijk andere keuzes
Verder kijken dan de uitstoot van je eigen organisatie betekent ook dat je mogelijk andere keuzes gaat maken, vervolgt Versteegh. “Vanuit scope 1 gezien loont het om bijvoorbeeld eigen energie op te wekken met zonnepanelen of een warmtepomp aan te schaffen. Maar zulke producten hebben ook nadelige impact, zoals uitstoot van CO2 bij de productie en schadelijke gassen die kunnen vrijkomen als ze kapotgaan. Ook vragen ze onderhoud en is de levensduur soms beperkt. Je wilt niet dat het voor jouw eigen organisatie er allemaal mooi uitziet, terwijl je elders in de keten aan het vervuilen bent. Daar moeten we ook rekening mee houden met onze energiedoelen. We gaan niet blind inzetten op alleen maar eigen energie-opwek, maar moeten keuzes zorgvuldig afwegen. Ik ben erg benieuwd welke inzichten dat allemaal oplevert. Maar het is sowieso goed dat we hier nu steeds bewuster mee aan de slag gaan.”
Foto gemaakt door Henriëtte Guest. Van links naar rechts: Tijmen de Groot (SKAO), Arjen Kapteijns (wethouder Den Haag) en Gerben van Horssen (TÜV Nord).