Voor veel organisaties voelt het berekenen van een CO₂-footprint op organisatieniveau als de grootste drempel om met de CO₂-Prestatieladder te starten. Toch is de footprint juist het vertrekpunt. Daarin ziet u waar uw energieverbruik en uitstoot zitten, en vanuit die basis stelt u uw reductiedoelstellingen op. Met een certificaat maakt u bovendien kans op gunningsvoordeel bij aanbestedingen van onder meer Rijkswaterstaat, ProRail, gemeenten, provincies en waterschappen. Een footprint berekenen hoeft gelukkig niet ingewikkeld te zijn.

Wat een footprint u oplevert

Binnen de Ladder vergelijkt u uw uitstoot met een basisjaar dat u zelf kiest. Zo ziet u of uw reductiemaatregelen effect hebben, en waar meer actie nodig is.

Het helpt om twee begrippen uit elkaar te houden die vaak door elkaar worden gebruikt. De CO₂-emissie-inventaris is de onderliggende lijst van al uw emissiebronnen en de bijbehorende hoeveelheden, meestal bijgehouden in een spreadsheet of database. De footprint is de uitkomst daarvan: uw totale uitstoot in ton CO₂-equivalenten, uitgesplitst naar scope 1, scope 2 en vanaf trede 2 ook scope 3.

Waarom het lastiger voelt dan het is

Vaak is onzekerheid over data de eerste drempel. Vooral kleinere organisaties hebben zelden een eigen duurzaamheidsteam, en de benodigde gegevens lijken verspreid over energienota’s, tankpasoverzichten, spreadsheets en het geheugen van collega’s. Een tweede drempel is de angst voor complexiteit. Een footprint berekenen klinkt technisch, en het ligt voor de hand om te denken dat u er speciale software of een adviseur voor nodig heeft. Een derde drempel is het idee dat de cijfers meteen perfect moeten zijn. Veel organisaties stellen hun eerste footprint uit, omdat ze bang zijn dat die niet nauwkeurig genoeg is.

Geen van deze drempels sluit aan bij wat de CO₂-Prestatieladder 4.0 werkelijk vraagt. Proportionaliteit zit in de norm zelf ingebouwd. Een werkbare eerste footprint levert bovendien meer op dan het streven naar een perfecte footprint waar u nooit aan begint.

Wat de CO₂-Prestatieladder 4.0 vraagt, en wat niet

Versie 4.0 kent drie treden[CL1] . Hoe hoger de trede waarop een organisatie zich certificeert, hoe verder de eisen aan de footprint gaan.

Trede 1 richt zich op het eigen energieverbruik en de eigen uitstoot van een organisatie (scope 1 en 2), met een horizon van maximaal drie jaar. Hier beginnen de meeste organisaties.

Trede 2 breidt de blik uit naar de waardeketen (scope 3[CL2] ) voor de belangrijkste activiteiten van een organisatie, met een horizon van vijf tot tien jaar.

Trede 3 gaat nog een stap verder. Het doel is nul uitstoot in 2050 over scope 1, 2 en 3, en de organisatie kijkt ook naar emissies buiten de waardeketen.

In de praktijk betekent dit dat u op trede 1 niet uw waardeketen in kaart hoeft te brengen. De Ladder vraagt dus niet op elke trede een volledige scope 3-inventarisatie. Vaak is het verstandiger om te beginnen met wat u zelf in de hand heeft: uw eigen organisatie, projecten en energiecontracten. Daarna kunt u verder kijken naar leveranciers en klanten.

Ook in de eisen voor alle treden is proportionaliteit ingebouwd. De energiebalans moet minimaal 90% van het finale energieverbruik van uw organisatie omvatten. Heel kleine, niet-materiële energieverbruiken mag u buiten beschouwing laten. Voor uw uitstoot geldt iets vergelijkbaars: de footprint moet minimaal 95% van uw scope 1- en 2-emissies omvatten. Niet-materiële emissies mag u weglaten, zolang ze samen niet meer dan 5% zijn.

Heeft uw organisatie weinig tijd of capaciteit om haar uitstoot uit te zoeken? Dan helpen een paar praktische startpunten. Op de deelnemerspagina van de CO₂-Prestatieladder vindt u alle gecertificeerde organisaties. Aan hun gepubliceerde footprints ziet u welke emissiebronnen gebruikelijk zijn bij vergelijkbare organisaties in uw sector. In de inlogomgeving Mijn CO₂-Prestatieladder vindt u daarnaast ondersteunende informatie bij de eisen uit het handboek.

Stap voor stap aan de slag

1. Bepaal de reikwijdte van uw organisatie. Leg vast wat onder de certificering valt, en daarmee welke emissies in uw CO₂-emissie-inventaris terechtkomen. Dat doet u volgens de methode voor organisatorische grenzen[CL3]  van de Ladder.

2. Gebruik de data die u al heeft. Een CO₂-footprint berekent u door het verbruik van een energiebron te vermenigvuldigen met de juiste emissiefactor. Voor Nederland is dat de lijst op co2emissiefactoren.nl, die gecertificeerde organisaties verplicht gebruiken, tenzij er een goede reden is om ervan af te wijken. Heeft uw organisatie ook activiteiten in het buitenland, dan geldt daarvoor de nationale lijst die SKAO voor dat land heeft aangewezen. Voor de berekening zelf heeft u geen nieuwe meetsystemen nodig. Energienota’s, jaaroverzichten van uw energieleverancier en tankpasoverzichten zijn samen met de juiste emissiefactoren meestal genoeg voor een footprint op trede 1.

3. Leg uw methode en aannames vast. Voor scope 1 en 2 ligt de manier van berekenen grotendeels vast in de norm. Voor scope 3 (vanaf trede 2) en voor overige beïnvloedbare emissies[CL4]  (OBE) heeft u meer vrijheid, en zult u in het begin deels met aannames werken. Het is dan belangrijk om de rekenmethode en de aannames goed vast te leggen in uw datakwaliteitsmanagementplan. Zo kunnen ze later worden getoetst en verbeterd.

4. Leg vast en verbeter. Een footprint maakt u niet één keer. Als u vastlegt hoe u dit jaar heeft gerekend, kunt u de berekening volgend jaar makkelijker verfijnen.

Veelgemaakte fouten

De rol van de certificerende instelling

De certificerende instelling (CI) beoordeelt of uw footprint redelijk en consistent is. Exacte cijfers tot achter de komma zijn niet het doel. De CI denkt mee binnen het kader van de Ladder. Organisaties die open zijn over hun aannames en databronnen ervaren de audit dan ook meestal als een constructief gesprek.

Tegelijk verwacht de CI dat uw footprint in de loop van de tijd beter wordt. In uw datakwaliteitsmanagementplan beschrijft u hoe uw data nauwkeuriger, vollediger en gedetailleerder worden. In de praktijk vervangt u aannames en schattingen stap voor stap door werkelijke gegevens, en de CI kijkt tijdens de audits naar die voortgang. Dat geldt voor de emissies die ertoe doen: het datakwaliteitsmanagementplan richt zich op materiële en relevante emissies. Een scope 3-categorie met weinig impact hoeft u dus niet verder te verfijnen.

Uw footprint groeit mee

Een goede footprint is een startpunt. Het belangrijkste is dat hij proportioneel is, goed gedocumenteerd en gekoppeld aan concrete reductiemaatregelen. Leren en de berekening steeds verder verbeteren hoort bij het proces. Het betekent niet dat uw eerste footprint fout was.